Tekstweergave van NL-UtHUA_K1997-1538_000003
Deze tekst is automatisch getranscribeerd en kan fouten bevatten.
L.
S.
Wij
hebben
de
eer
U
hierbij
aan
te
bieden
supplement
I
van
de
door
ons
op
25
Maart
van
dit
jaar
uitgegeven
„Opgave
van
Vluchtelingen,
welke
verblijf
houden
of
gehouden
hebben
in
de
Provincie
Utrecht”,
van
welke
opgave
het
als
voortzetting
bedoeld
is.
Noch
in
de
samenstelling
van
ons
Comité,
noch
in
hare
inrichting
of
werkwijze
is
eenige
verandering
voorgekomen,
daarentegen
zijn
de
werkzaamheden
langzamerhand
teruggebracht
tot
die
administratieve
bezigheden,
welke
nood
172
zakelijk
zijn
om
de
nu
sedert
ongeveer
een
jaar
gevoerde
registratie
ook
verder
geregeld
bij
te
houden.
In
de
bovengenoemde
„Opgave”
schetsen
wij
inrichting
en
werking
van
ons
comité
aan
de
hand
van
de
getroffen
maatregelen
in
chronologische
volgorde
t°t
15
Februari
1.1.;
deze
opgave
voortzettende
zij
nog
vermeld:
Op
6
Maart
werden
door
ons
namens
de
Centrale
Commissie
werklieden
opgeroepen
voor
de
open
plaatsen
in
eene
leerlooierij,
waarvoor
geen
Neder-
landsche
werklieden
beschikbaar
waren.
Op
10
Maart
verzochten
wij
onze
afdeelingen
mede
te
werken
aan
de
opsporing
van
eenige
vermiste
geinterneerden.
Op
23
Maart
werden
aan
de
afdeelingen
nieuw
model
mutatieformulieren
toegezonden,
welke
sedert
in
gebruik
bleven
en
goed
voldoen.
Op
25
Maart
had
te
Utrecht
eene
vergadering
der
verschillende
Provinciale
Comité’s
plaats,
waarbij
o.
a.
de
volgende
onderwerpen
behandeld
werden:
uniforme
regeling
der
door
Duitsche
Consulaten
af
te
geven
passen,
overplaatsing
v
an
vluchtelingen
naar
de
Regeeringskampen,
hoe
te
handelen
met
vrouwen
van
geïnterneerde
militairen,
het
al
of
niet
heffen
van
belasting
van
de
vluchtelingen,
regeling
betreffende
het
inwisselen
van
Belgisch
geld.
Nadat
op
10
Februari
door
den
heer
Commissaris
der
Koningin
in
de
Provincie
namens
ZEx.
den
Minister
van
Staat,
Minister
van
Binnenlandsche
Zaken
eene
circulaire
aan
de
Burgemeesters
was
gezonden,
waarin
o.m.
werd
verzocht
opgave
van
aankomst
en
vertrek
van
vluchtelingen
voortaan
te
willen
melden
aan
het
Bureau
van
de
Centrale
Commissie
te
's
Gravenhage
en
aanvrage
voor
kleeding
en
schoeisel
direct
te
doen
geschieden
bij
het
Nederlandsche
Comité
te
Amsterdam
—
beide
maatregelen
afwijkende
vap
de
door
ons
comité
in
de
Provincie
Utrecht
ingevoerde
regeling
—
werden
op
13
Februari
d.a.v.
namens
ZEx.
de
oorspronkelijk
ingevoerde
maatregelen
weer
bij
circulaire
van
den
heer
Commissaris
der
Koningin
van
kracht
verklaard.
Daar
hierdoor
eenige
verwarring
was
ontstaan,
richtten
wij
ons
12
April
per
circulaire
tot
de
Burgemeesters
om
nogmaals
opmerkzaam
te
maken
op
de
onveranderde
geldigheid
der
door
ons
getroffen
maatregelen.
In
diezelfde
circulaire
werden
enkele
van
belang
zijnde
punten,
besproken
op
de
vergadering
der
verschillende
Provinciale
Comité’s,
vermeld.
Op
14
April
verzochten
wij
medewerking
bij
de
opsporing
van
een
vermist
geïnterneerde,
een
verzoek
dat
sindsdien
nog
eenige
malen
herhaald
werd.
Op
15
Mei
werd
aan
onze
afdeelingen
mededeeling
gedaan
van
een
van
ZEx.
den
Minister
van
Staat,
Minister
van
Binnenlandsche
Zaken
ontvangen
schrijven
betreffende
verstrekking
van
passen.
Op
14
Juli
werd
aan
de
afdeelingen
kennis
gegeven
dat
vluchtelingen
te
werk
gesteld
konden
worden
in
eene
ijzergieterij.
Na
dit
tijdstip
bleven
de
werkzaamheden
van
ons
Comité
beperkt
tot
de
loopende
correspondentie,
het
bijhouden
der
registreering
en
de
voorbereiding
voor
de
druklegging
van
het
hierbij
aangeboden
supplement.
Wat
betreft
het
aantal
in
de
Provincie
Utrecht
aanwezige
vluchtelingen,
zij
vermeld
dat
dit
bedroeg:
begin
October
1914
8160
1
Maart
1915
3561
15
7450
1
April
„
3633
1
November
7200
1
Mei
„
3934
15
5100
1
Juni
3903
1
December
3580
1
Juli
4042
1
Januari
1915
3380
1
Augustus
„
4151
1
Februari
3658
1
September
„
4183
Sedert
1
Januari
van
dit
jaar
neemt
het
aantal
weer
gestadig
toe.
Van
de
30
gemeenten
welke
aanvankelijk
vluchtelingen
opnamen
zijn
er
thans
nog
21
welke
onderdak
verleenen:
het
sterkst
zijn
belast
Amersfoort
(2496),
Utrecht
(795),
Zeist
(168),
Baarn
(165),
Soest
(110)
en
Doorn
(98).
Onze
geldmiddelen,
gevormd
uit
de
bij
oprichting
van
ons
comité
door
enkele
gemeenten,
corporaties
en
particulieren
vrijwillig
gegeven
bijdragen,
werden
sindsdien
niet
aangevuld
en
zijn
thans
bijkans
geheel
uitgeput.
Willen
wij
onze
taak
verder
kunnen
vervolgen
dan
is
aanvulling
onzer
middelen
noodzakelijk.
Wij
vertrouwen
dat
onze
afdeelingen
in
het
algemeen
en
die,
gevestigd
in
gemeenten
welke
geen
vluchtelingen
konden
opnemen
in
het
bijzonder,
hunne
medewerking,
welke
wij
dankbaar
erkennen,
ook
tot
dit,
voor
ons
werk
noodzakelijk
onderdeel,
zullen
willen
uitstrekken.
Namens
het
Utrechtsch
Provinciaal
Comité
tot
hulp
en
ondersteuning
van
vluchtelingen,
L.
M.
SCHUURBEQUE
BOEIJE,
Voorzitter.
B.
A.
J.
VAN
DER
HEGGE
ZIJNEN,
Secretaris.
Utrecht,
15
November
1915.