Tekstweergave van NL-UtHUA_VIII-D-5_000004
Deze tekst is automatisch getranscribeerd en kan fouten bevatten.
Ill
DE
INRICHTING
EN
WERKWIJZE
VAN
HET
utrechtsch
provinciaal
COMITÉ
TOT
HULP
EN
ONDERSTEUNING
VAN
VLUCHTELINGEN.
T
EN
einde
een
beeld
te
geven
van
inrichting
en
werkwijze
van
ons
Comité,
meenen
wij
te
mogen
volstaan
met
een
korte
mededeeling
van
de
getroflen
maatregelen
in
chronologische
volgorde.
Door
den
Commissaris
der
Koningin
in
de
Provincie
Utrecht
werd
op
uitnoodiging
van
Z.
E.
den
Minister
van
Binnenlandsche
Zaken
op
9
October
1914
het
bovengenoemde
Comité
geïnstalleerd,
dat
is
samengesteld
als
volgt:
Jhr.
L.
M.
SCHUURBEQUE
BOEYE,
te
Zeist,
Voorzitter.
B.
A.
J.
VAN
DER
HEGGE
ZIJNEN,
te
Utrecht,
Secretaris.
G.
HOEFMAN,
te
Abcoude,
Penningmeester.
Dr.
R.
JESSE,
te
Rhenen.
H.
J.
KRONENBURG,
te
IJsselstein.
J.
S.
C.
V.
MAASSEN,
te
Boenen.
Th.
C.
TER
MAAT,
te
Amersfoort.
R.
P.
C.
DE
MOOR,
te
Driebergen.
J.
P-
F-
G.
PABST,
te
Doorn.
Dr.
A.
J.
A.
THOMAS,
te
Baarn.
G.
H.
VEENSTRA,
te
Soest.
G.
DE
VRIES,
te
Maarssen.
Dr.
H.
WALLER,
te
Amerongen.
Op
dienzelfden
dag
werd
de
eerste
vergadering
gehouden;
Mr.
Dr.
F.
A.
C.
Graaf
VAN
LYNDEN
VAN
SANDENBURG,
Commissaris
der
Koningin
in
de
Provincie
Utrecht,
tot
Eere-
Voorzitter
benoemd,
verklaarde
die
benoeming
te
willen
aanvaarden,
voorts
werden
een
Secretaris
en
een
Penningmeester
benoemd
en
als
zetel
van
het
secretariaat
aangewezen
het
bureel
van
den
Secretaris
te
Utrecht,
Trans
Ia.
Het
Dagelijksch
Bestuur,
bestaande
uit
Voorzitter
en
Secretaris,
werd
belast
met
de
leiding
der
werk
172
zaamheden
en
gemachtigd
de
noodzakelijk
blijkende
maatregelen
te
treffen,
terwijl
aan
den
Secretaris
volmacht
werd
gegeven,
al
naar
behoefte,
zich
te
voorzien
van
de
noodige
hulpkrachten.
Nog
werd
in
deze
vergadering
een
werkplan
ontworpen,
waarop
als
eerste
punt
voorkwam:
het
stichten
van
afdeelingen
in
alle
gemeenten
der
Provincie
en
de
taak
dezer
afdeelingen
nader
omschreven.
Een
en
ander
werd
neergelegd
in
eene
circulaire,
welke
door
bemiddeling
van
het
Provinciaal
Bestuur
reeds
den
volgenden
dag
aan
de
Burgemeesters
der
72
Gemeenten
kon
worden
toegezonden
en
waarin
die
taak
der
plaatselijke
afdeelingen
als
volgt
werd
ge
172
formuleerd
:
1°.
Informeeren
bij
den
militairen
bevelhebber
in
de
afdeeling,
waaronder
Uwe
Gemeente
ressorteert,
of
tegen
het
opnemen
van
vreemdelingen
zijnerzijds
geen
bezwaren
bestaan
en
indien
dit
niet
het
geval
blijkt:
2°.
Nagaan
welke
ingezetenen
zich
bereid
verklaren
om,
zonder
eenige
vergoeding,
tijdelijk
hulpbehoevenden,
doch
overigens
tot
den
gegoeden
stand
behoorende
vluchtelingen,
op
te
nemen,
daar-